Juf, ik wil wel...
Maar soms gaat het gewoon niet.
|
Een kind dat leert lezen, spellen, rekenen en schrijven is daartoe
alleen in staat als het voldoet aan een aantal voorwaarden:
intelligentie, goede oren, goede ogen, en zo meer. We noemen dat
"leervoorwaarden". Die leervoorwaarden zijn belangrijk, maar
tegenwoordig hecht men ook veel waarde aan een goede relatie met de
leerkracht en het ontwikkelen van zelfvertrouwen en zelfstandigheid.
"Waarom zouden we een leerling niet kunnen uitdagen om zelf
verantwoordelijkheid te nemen voor de planning en uitvoering van het
werk?", zeggen bijvoorbeeld de Utrechtse pedagogen Stevens en
Castelijns. Maar voor kinderen met ADHD of PDD (en voor hun
leerkrachten) liggen daar wel de nodige valkuilen. Vanwege hun
handicap hebben deze kinderen extra hulp nodig: hulp bij het
ontwikkelen van de vaardigheden om een relatie aan te gaan,
zelfvertrouwen en zelfstandigheid op te bouwen. Hoe kunnen
leerkrachten daarop inspelen, zodat ook kinderen met ADHD
of PDD-NOS zich prettig en competent voelen op school? Een gesprek met Hanna Swaab (neuropsycholoog) en Rutger Jan van der Gaag (kinder- en jeugdpsychiater). |
Ik wil wel tussen de lijntjes schrijven, maar soms wil mijn hand niet... Ik wil wel rustig naar buiten lopen, maar als ze tegen me aan botsen word ik opeens kwaad... Ik wil wel aan die rekentaak beginnen, maar er vliegt zo'n mooie vlinder buiten... Ik wil er wel aan beginnen, maar er staat zo'n eng beestje bij getekend... Ik wil wel stilzitten, maar ik heb zo'n kriebel van binnen en mijn voeten gaan vanzelf bewegen... Ik wil wel opletten, maar ik hoor de moeders op de gang praten, en een vreemde meneer... |
We weten het allemaal: Gemotiveerd zijn om iets te doen, er
zin in hebben, is een voorwaarde om succes te kunnen behalen. De
laatste jaren is er veel geschreven over het
motiveren van leerlingen. Het inzicht is
ontstaan dat een goede relatie tussen leerkracht en leerling
een voorwaarde is voor succes. Een kind moet zich veilig voelen
bij de leerkracht. Naast veiligheid is zelfvertrouwen een voorwaarde
om het goed te kunnen doen. Dat zelfvertrouwen groeit van positieve
opmerkingen. Als het kind hoort:"Kijk eens hoeveel sommen er
nu goed zijn!" dan krijgt het daarbij een prettig gevoel.
Hoort het daarentegen:
"Hé, Jan, had je dat nou niet beter kunnen doen?" of: "Je kan
het wel, als je maar wil!", dan wordt het kind onzeker. Het kan
zelfs gaan denken:'Bij mij gaat tóch alles verkeerd.
Pijnlijk
"Het is voor kinderen pijnlijk om telkens weer te worden
geconfronteerd met hun onvermogen", zegt pedagoog J. Castelijns.
"Ze willen vaak wel, maar ze kunnen het gewoon niet opbrengen om
aandachtig te werken. Hen rest vaak niets anders dan zelf naar een
oplossing voor hun probleem te zoeken. Ze doen dat door zich van hun
werk af te keren. Ze proberen taken te ontlopen. Soms zelfs
letterlijk, door gewoon de klas uit te wandelen. Zo lossen ze hun
eigen probleem op. Ze merken dan niet meer dat hun werk niet lukt.
Maar ze merken ook niet dat iets wel kan lukken.
Speciaal bij ADHD
Hanna Swaab: "Kinderen met aandachts regulatie-problemen hebben
extra veel moeite om zelfvertrouwen te ontwikkelen. Dingen die
andere kinderen makkelijk afgaan, kosten een kind met ADHD
"bergen energie": je concentreren, je niet laten afleiden, snel
doorwerken, meteen onthouden wat de juf zegt, niet wiebelen
in je bank, netjes werken. Als het al lukt houden ze zo'n inspanning
niet lang achter elkaar vol. Ik vergelijk het wel eens met de
situatie waarin je zelf erg moe bent. Je hebt dan moeite om je
aandacht erbij te houden, maar met veel wilskracht en inzet
lukt het je nog wel eventjes om je te concentreren. Daarna ben je
dan ook helemaal opgebrand. Als je dan als kind met ADHD van de juf
te horen krijgt: "Zit nou eens stil, ik had je toch gezegd dat je
moest doorwerken, het lijkt wel of je je best niet doet.", dan
ondermijnt dat wel je zelfvertrouwen.
Ordening
"Toch is het voor een kind met ADHD natuurlijk ook belangrijk om
een gevoel te ontwikkelen 'de zaken onder controle te hebben'.
Het is belangrijk te leren ervaren dat je ergens goed in bent,
zodat je tevreden over jezelf kunt zijn. Ook voor het kind met
ADHD is het prettig als hij kan overzien hoe hij een taak moet
aanpakken en als hij greep heeft op de zaken waar hij mee bezig is.
Alleen is een kind met ADHD -door een regulatiestoornis in de
hersenen- zwak in het organiseren en piannen. Het lukt hem dus
niet om zelf een goede taakhouding te ontwikkelen. Hij moet daarbij
hulp hebben en het letterlijk 'voorgeschreven' krijgen. Daarbij moet
een kind met ADHD er steeds weer aan worden herinnerd wat er van
hem wordt verwacht. Zo'n kind heeft blijvend behoefte aan ordening
en structuur, aangeboden door zijn omgeving.' Sterkte-zwakte-anaiyse.
"Er zijn wat algemene adviezen die bij álle kinderen met ADHD zullen
helpen. Toch is het ook nodig voor elk kind een 'plan op maat' te
maken. Ieder kind met ADHD is immers uniek. Voor de kinderen die bij
ons zijn gediagnostiseerd is het o.a. mijn taak om het plan van
aanpak te bespreken met de leerkracht. Uit neuro-psychologisch
onderzoek kan ik van elk kind een 'sterkte-zwakte-analyse' maken.
Ik kan dan met de leerkracht bespreken welke zwakke kanten moeten
worden gecompenseerd en op welke sterke kanten van een kind we een
beroep kunnen doen. Ik probeer bij die bespreking zoveel mogelijk
mensen om de tafel te krijgen die betrokken zijn bij de dagelijkse
opvoeding en begeleiding van het kind. Behalve de ouders en de
leerkracht kunnen dat ook de leerlingbegeleider, de remedial teacher
en de psycholoog of orthopedagoog van de schoolbegeleidingsdienst
zijn"
Plaatjes, lijstjes, schema's, bandjes. "Heeft een kind met ADHD bijvoorbeeld een goed visueel inzicht, dan kun je steun bieden met plaatjes die hem helpen herinneren aan een afspraak met de leerkracht. Het plaatje 'Als ik werk zit ik op mijn stoel' ligt dan op de tafel als het kind met een taak bezig is. De leerkracht hoeft alleen maar even naar het plaatje te wijzen om de afspraak met het kind weer actueel te maken. Hij of zij hoeft het kind dan niet boos tot de orde te roepen. Wil je een kind meer overzicht geven over de taken die hem op een dag te wachten staan, dan kun je werken met een agenda en een rooster. Lijstjes en schema's zijn veelgebruikte hulpmiddelen. Als het kind aan een taak begint kan het even op z'n lijstje kijken. Daarop staat dan bijvoorbeeld: 'Wat moet ik doen? Waar moet ik beginnen?' Het probleem van de impulsiviteit vraagt om een benadering waarbij het kind wordt geholpen zichzelf af te remmen. De leerkracht kan het kind bijvoorbeeld even helpen herinneren aan een afspraak die gemaakt is: 'Wacht even, waar was je ook alweer mee bezig? Kijk nog even op de sticker op je bank, eerst even denken, dan pas doen.' De motorische onrust slaat gauw over op de andere kinderen. Het kind met ADHD is zich daarvan niet bewust. Vaak lukt het wel om afspraken te maken: wanneer mag het kind even lopen of rennen om zich te 'ontladen' en wanneer wordt er van hem verwacht dat hij op z'n stoel blijft zitten?"
Vrije situaties
"Heel belangrijk is de begeleiding in 'vrije situaties' als er wat
minder vaste regels zijn. Bijvoorbeeld bij het naar binnen of naar
buiten lopen in de pauzes. In die situaties heeft een kind met ADHD
extra begeleiding nodig, om te voorkomen dat hij door z'n
impulsiviteit op een verkeerde manier op anderen reageert. Het is
vaak plezieriger te voorkómen dat er dingen misgaan dan het achteraf
met een kind te moeten doornemen.
We horen ook wel eens dat een kind met ADHD z'n walkman mag opzetten als de pauze begint. Hij mag dan een speciaal bandje draaien waarop z'n favoriete muziek staat, maar ook de herinneringen aan de instructies. Dat lijkt een handig hulpmiddel voor een leerkracht die met grote klassen moet werken. Je kunt je zelfs voorstellen dat je in meerdere situaties werkt met instructiebandjes.
In feite snapt het kind met ADHD in het algemeen wel wat er in een ander omgaat. Maar deze kinderen zijn te chaotisch om dat volledig tot zich te laten doordringen. Daarin verschillen ze juist van kinderen met PDD. Als je met een kind met ADHD later bespreekt wat er is misgegaan, dan reageert het vaak met: 'Oh ja, natuurlijk! Hè, stom dat ik dat nu weer was vergeten.' Ze beloven beterschap, maar in een volgende vergelijkbare situatie reageren ze wéér impulsief. Dus gaan ze vijf minuten later opnieuw in de fout.'
ADHD
ADHD is een afkorting van 'Attention Deficit Hyperactivity Disorder'.
ADHD heeft drie hoofdkenmerken:
PDD
PDD is een afkorting van "Pervasive Developmental Disorder". Het betreft een informatieverwerkingsstoornis die doordringt in alle gebieden van de ontwikkeling. Er zijn drie centrale ken merken, die we kunnen samenvatten als een stoornis in het sociale snapvermogen:
Kinderen met PDD begrijpen niet wat
er in de wereld om hen heen gebeurt
en wat er in andere mensen omgaat. Ze
kunnen die kennis dus niet laten mee
spelen in hun gedrag naar anderen. Zo
sturen ze teveel op wat er in henzelf
omgaat.
Er zijn verschillende vormen van PDD,
met verschillende uitdrukkingsvormen
van de drie kenmerken. Soms zijn het
kinderen bij wie maar weinig prikkels
(indrukken) van buiten naar binnen
komen, waardoor er weinig in hen om
gaat. Zij reageren dan ook haast niet op
de omgeving. Dat is bijvoorbeeld zo bij
kinderen met autisme.
Er zijn ook kinderen die heel véél prikkels
uit de buitenwereld opvangen, ter
wijl ze die niet goed kunnen verwerken
in het geheugen. ln plaats van de prikkels
keurig in het geheugen op te ruimen
gaan ze allerlei associaties met die
prikkels oproepen. Dan ontstaat er een
flinke chaos. Men zegt dan dat ze worden
meegesleept in hun eigen fantasie.
Dat kan hen flink angstig maken.
Bij kinderen met PDD staat de sociale stoornis centraal. ln tweede instantie kunnen zij druk en rusteloos gedrag vertonen dat op het eerste gezicht lijkt op ADHD. Maar er is een groot verschil: Als bij ADHD de concentratie toeneemt, verbetert het sociale contact. Als bij PDD de concentratie verbetert, dan komt het sociale onvermogen nog sterker aan het licht.
Speciaalbij PDD
Rutger Jan van der Gaag: "Een kind met
PDD heeft een heel ander probleem. Zo'n
kind begrijpt heel weinig van de wereld
om zich heen en van zichzelf in relatie met
anderemensen.
Het kind zit te vast in zijn eigen belevingswereld. Het kan informatie 'van buiten' niet voldoende laten meesturen in zijn gedrag naar anderen. Het stemt zich onvoldoende af op wat een ander (de leer kracht) van hem verwacht. Voor een buitenstaander is het moeilijk de gedachten sprongen van het kind te volgen. Daardoor kunnen de reacties heel onvoorspelbaar zijn. Dat geeft problemen in de relatie met de leerkracht. En het bevor dert natuurlijk ook niet het zelfvertrouwen van leerkracht en kind.
Je kunt bij een kind met PDD niet blijven hameren op het aanvoelen van sociale situaties als dat juist zijn probleem is. Dat maakt het kind alleen maar onzekerder. In de omgang met een kind met PDD moet je andere wegen zoeken. Bijvoorbeeld de 'cognitieve omweg'. De 'cognitieve omweg' betekent: aanleren wat het kind niet auto matisch aanvoelt of waameemt. Je leert het kind bijvoorbeeld dat het niet bij de leerkracht op schoot moet gaan zitten. Het kind voelt niet uit zichzelf aan'dat je zoiets niet doetl Het snapt niet dat leer krachten andere mensen zijn dan ouders, en dat je daar dus op een andere manier mee omgaat.
Inzicht in het bijzondere van het gedrag van een kind met PDD kan leiden tot maatregelen die de situatie van het kind in de klas gunstig kunnen béinvloeden. Het is voor een kind met PDD heel belangrijk om schoolse vaardigheden te ontwikkelen. Het is een foutieve gedachte om eerst alle energie te willen steken in het ontwikkelen van de sociale vaardigheden, daar waar hun defect juist speelt. Een doof kind ga je ook niet eerst proberen horende te maken vóór je hem gaat leren lezen of rekenen...
Juist bij kinderen met PDD blijkt een voltooide schoolopleiding op de lange termijn ook daadwerkelijk een gunstige bijdrage te leveren aan het functioneren in de volwassenheid.
Dan moet je als leerkracht dus zicht heb ben op de problemen van kinderen met PDD. Je moet weten dat er bij hen sprake is van een zwakte in het 'sociale snapvermogen'. Je moet weten wat dat betekent.'
Koppigheid... of starheid?
"De leerkracht moet dan wel kunnen in
schatten dat 'koppigheid' misschien wel
onvermogen is, een uiting van starheid of
rigiditeit.
Je kunt het vergelijken met treinen. Die
lopen in een vaste baan en kunnen alleen
een andere kant op als er een wissel wordt
verzet. Werkt de wissel niet, dan ontspoort
de trein en geeft dat een hoop ellende.
Een kind met PDD neemt dikwijls iets te letterlijk. Ik herinner me een jongen van 11 die niet begon aan de opgaven van het verkeersexamen. Wat was nou 't geval? Op de foto's van verkeerssituaties stond een kind op een mountainbike. Bij elke foto werd gevraagd: 'Wat zou jij doen?' Het jongetje had geen mountainbike, maar een gewone fiets. Hij kon de vragen dus niet beantwoorden...
Een leerkracht moet weten dat hij alleen maar brokken veroorzaakt als hij de druk bij het kind opvoert. Te grote druk kan leiden tot agressief gedrag, wat een uiting van paniek kan zijn.'
Faalangst... ofpaniek?
"Een leerkracht moet ook weten dat bang
zijn om aan de taak te beginnen niet altijd
faalangst hoeft te zijn. Bij een kind met
PDD-NOS kan 't te maken hebben met
angst voor heel speciale zaken. Dat is
moeilijk invoelbaar voor anderen. Een
kind met PDD kan fantasie en werkelijk
heid slecht uit elkaar houden. Het is wel
gebeurd dat een meisje onder haar tafeltje
kroop van angst als de kaart van Zeeland
voor het bord hing. Dan moest ze teveel
aan de watersnoodramp denken, en dat
maakte haar erg bang.
De leerkracht moet kennis hebben van de
speciale angsten van zo'n kind en daar rekening
mee houden. De opmerking 'Doe
niet zo gek' is dan niet op z'n plaats.'
Regelmatig overleg met ouders en behandelaars is absoluut noodzakelijk.
Volhouden.Deze functiegerichte benadering maakt de kans groter dat hij de zware taak aankan. Het is goed om binnen de school de lasten te verdelen, zodat de kans toeneemt dat de school het volhoudt."
Drs. H. Swaab-Barneveld is neuropsycholoog in het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Zij is verbonden aan het ADHD team.
Dr. R. J. van der Gaag is kinder- en jeugd psychiater, verbonden aan het Acade misch Ziekenhuis Utrecht en aan polikliniek De Riethorst van Psychiatrisch Ziekenhuis Veldwijk (Ermelo/Lelystad).
ADHD en PDD
Als we sociaal gedrag nu eens vergelijken
met fietsen...
Een kind met ADHD heeft, bij wijze van
spreken, een fiets met een wiebelig stuur.
Dat kind zet je wat langer dan andere
kinderen bij jezelf achterop in het fiets
stoeltje. Hij is immers een ramp voor
zijn mede-weggebruikers. Later laat je
hem naast je fietsen. Je staat doodsang
sten uit en raakt uitgeput van dat gewie
bel naast je. Je stuurt dikwijls bij, je raakt
wel eens in de knoop, maar je komt wel
vooruit. Als hij uiteindelijk voelt hoe los
zijn stuur zit, dan kan hij z'n best gaan
doen om de rechte weg te volgen. Eerst
zal hij nog wel moeten fietsen met steun
wieltjes (gedragstherapie en medicatie),
maar het zal hem steeds beter lukken z'n
stuur in de hand te houden. Hij zal wel
gebaat zijn bij paaltjes langs de weg die
hem helpen herinneren: 'Oh, ja, ik zit te
dicht bij de kant. Hup, weer even naar
het midden'. Daarbij is het fijn als de
mede-weggebruikers niet steeds roepen:
'Kijk toch uit, sufferd, hou je stuur recht'.
Het is prettig als ze hem bijvoorbeeld
even op z'n stuur wijzen, of op de paal
tjes langs de weg. Dan komt hij er wel.
(Tenminste - als er niet méér aan de fiets
mankeert.)
Een kind met PDD heeft een ander pro
bleem. Hem hebben we ook lang bij ons
zelf achterop gehad, omdat hij vaak zo
bang was op de weg. Wordt hij voor het
eerst op z'n eigen fiets gezet, dan weet hij
niet wat hij doen moet. Het zweet breekt
hem uit: 'Wat willen ze van me? Wat
moet ik met dit ding?'
Hem zullen we moeten vertellen:'Je pakt
het stuur, zet je voet op de trapper, gaat
op het zadel zitten, zet je voet op de andere
trapper en beweegt om de beurt de
trappers naar benedenl Met heel veel geduld
en uitleg zul je hem uiteindelijk wel
op de fiets krijgen. Maar het zal meer en
meer blijken dat het voor hem erg moei
lijk is. Het is ook de vraag of het ooit automatisch
zal gaan.
Bij elke nieuwe weg zal hij erg onzeker zijn. We zullen hem moeten leren steeds op de borden te letten. Soms lijkt het of ook hij zo'n wiebelig stuur heefi, net als het kind met ADHD. Maar bij hem heefi dat wiebelen toch een andere oorzaak: op elke nieuwe weg vergeet hij weer hoe hij moet fietsen, en dan gaat hij ongemerkt slingeren. Maar op een bekende weg die hij graag fietst, heefi hij geen problemen met z'n stuur. Het kan dus best zo zijn dat hij leert fietsen. Maar op nieuwe wegen zal er in veel gevallen iemand naast hem moeten gaan. Of hij zal mee moeten op de tandem. Later kan hij dan misschien voor op de tandem plaatsnemen, waarbij de persoon achterop blijft meedenken (hulp-ik) en af en toe aan de rem trekt.
Teksten: Rutger jan van der Gaag en Arga Paternotte
Aanpassingen in de klas voor kinderen met ADHD
een zwakke aandachtsregulatie?
hoge impulsiviteit?
motorische onrust?
lage motivatie?
moeite met zelfstandig werken ?
moeite met sociaal functioneren ?