Hoofdstuk 8
Speuren
8.1 Inleiding
Dit
hoofdstuk speuren bestaat uit een verzameling van eigen ervaringen en de
informatie uit diverse boeken. De nadruk voor wat betreft de opbouw van een
hond bij het speuren zal liggen bij de beschrijving van de methoden waar ik het
meeste in geloof met het type hond dat ik graag zie in het IPO/VH africhtingsportprogramma.
Dit wil niet zeggen dat andere methoden verkeerd zouden zijn. Er zijn vele
wegen die naar Rome leiden. Het is juist de kunst die trainingsmethode te kiezen
die het best past bij het karakter van de hond en het karakter en de ervaring
van de geleider!
Het meest
wordt er in de hondensport gesproken over het manwerk. Wat vaak niet doorzien
wordt dat het speuren voor de geleider de meeste problemen met zich meebrengt.
Dit komt omdat hier de tekortkomingen van de geleider snel boven water komen.
Hondensport eist namelijk van een geleider veel concentratie, inzet en een gave
om goed met honden om te kunnen gaan, dit met een goede begeleiding van een
instructeur. Het ontbreken van deze eisen ziet men het eerste bij de
speuractiviteiten! Niet geconcentreerd zijn tijdens het speuren kan nooit het
maximale rendement uit de aanleg van de hond geven. Concentratie verlies kan
vooral optreden als het speuren een periode goed gaat. Juist op dat moment
treedt het gevaar op van slordig te werk gaan gedurende de speurtrainingen. De
concentratie zal vooral gericht moeten zijn op het uitleggen van het spoor met
zijn voorwerpen. Men behoort namelijk altijd exact te weten waar het spoor met
zijn hoeken ligt en waar de voorwerpen liggen. Ook als het spoor niet zichtbaar
is na het uitleggen. Immers weet men dit niet, dan kan men nooit goed
beoordelen of de hond het spoor correct uitwerkt en dus ook niet corrigeren
indien dat nodig mocht zijn. Het niet meer weten van de ligging van het spoor
en of de exacte locatie van de voorwerpen is vaak de bron van de slechte
voortgang in de opbouw bij het speuren. Gezegd moet worden dat het exact terug
vinden van het spoor met de voorwerpen men alleen door veel ervaring opdoen
zich meester kan maken. Naast bovenstaande is tevens een enthousiaste
uitstraling en “meedoen” met de hond zeer belangrijk. Verzuimt men een bepaalde
periode in de genoemde “speurwetgevingen” dan zal de hond terugvallen in zijn
prestatie. Baas en hond moeten “scherp staan” bij het speuren.
Wat betreft
het speuren en het type hond nog het volgende. In het boek van Swarovsky,”opvoeding”,blz
24 wordt het volgende beweerd. Honden die aanleg hebben om goed te speuren zijn
die honden die ook zonder invloed van de geleider opvallend vaak hun neus
gebruiken, overal snuffelen en overal "hun neus in steken". Van
karakter moeten zij zoveel mogelijk op een sanguinici lijken, waarbij een
lichte neiging naar een flegmatici niet weg is.
Cholerici
worden zeker geen goede speurhonden.
In de
praktijk blijkt dit aardig te kloppen!!
In de
komende tekst over het speuren zal ik niet heel diep ingaan op de theorie. In
diverse
boeken wordt
hier al heel diep op ingegaan. Ik verwijs hiervoor in het bijzonder naar de
theoretische
achtergronden die zijn beschreven in het boek van Ruud
Haak,"speuren",blz 9
e.v.
8.2
Er zijn veel
theorieën en proeven gepubliceerd betreffende het reukvermogen van de hond. De
experimenten van de Berlijnse onderzoeker en politieluitenant Konrad Most zijn
heden ten dage nog steeds erg veel van belang voor onze kennis van het speuren.
Most deed zijn proeven al voor de eerste wereldoorlog m.b.v. een zweeftoestel,
een sporenrad en een loopwagen met druppelkannen. Uitgebreide beschrijvingen
van deze proeven zijn te vinden in Haak,"speuren",
blz 129
e.v. Ondanks dat Most tijdens zijn zweefproeven lang niet alle mogelijkheden
heeft uitgeprobeerd, worden door de meeste mensen zijn bevindingen toch aangehouden
als zijnde de meest waarschijnlijke en de beste bewezen theorie. Uit de proeven
van Most, in combinatie met die van andere (bijvoorbeeld die van Dr K.
Zuschneid), zijn de volgende conclusies te trekken:
‑Geur
(= een gasvormige stof) ontstaan door bodembeschadigingen en kapot getrapte planten,
veroorzaakt door de spoorlegger tijdens het leggen van het spoor, zijn de
geuren waarop de hond zich hoofdzakelijk oriënteert.
‑De
persoonlijke geur van de spoorlegger voegt weinig toe aan het totale geurencomplex
dat door de spoorlegger wordt veroorzaakt. Deze persoonlijke geur zou dan ook
in verhouding tot de andere geuren tamelijk snel verdwenen zijn.
Ondanks dit
feit zijn echter goed opgeleide honden prima in staat deze persoonlijke geur in
het spoor vast te stellen. Over waarom dit zo belangrijk is zo dadelijk meer.
‑Verleidingssporen
kunnen door de hond onderscheiden worden van het oorspronkelijke zoekspoor als
de sporen verschillen in leeftijd. Zijn sporen exact even oud en moet de hond
dus de sporen uit elkaar houden op de persoonlijke geur. Niet goed opgeleide
honden kunnen dan dus in de problemen komen. Indien er in dergelijke gevallen
gebruik is gemaakt van een goede aanzet (plaats aan het begin van het spoor met
veel geur) dan zijn er betere resultaten te bereiken.
Rudolf en
Rudolfina Menzel hebben in 1930 een eenvoudige formule opgesteld voor de totale
geur van het spoor zoals deze door de spoorlegger wordt achtergelaten. Als we
de totale geur van het spoor met S aangeven, met E de
daarin aanwezige eigengeur van de spoorlegger, met P de geur van
de kapot getrapte planten, met B de bodembeschadigingen en
met I de geur van het impregneermiddel van de schoenen en het
zoolleer, dan is:
S= K*(E + P + B+ I)
waarbij K
een van weersomstandigheden, luchtvochtigheid, bodemsoort etc. afhankelijke constante
betekent.
Naast de
meest aannemelijke “Most”-theorie zijn er nog andere wat afwijkende theorieën.
Echter deze
theorieën berusten op een zeer groot aantal veronderstellingen en uitgangspunten
die nog onvoldoende werden onderzocht om als waarheid aan te kunnen nemen. Ze
zijn dus voorlopig af te doen als onvoldoende bewezen, ofschoon het voor iedere
speurliefhebber uiteraard toch goed is er van op de hoogte te zijn. Zo geldt
dit ook voor de in 1972 gepubliceerde theorie van de Amerikaan William G.
Syrotuck, die beschreven wordt in Haak,"speuren",blz 139.
Er zou een
apparaat bestaan dat het reukvermogen van een hond zou kunnen meten. Dit
apparaat zou een OLFACTOMETER heten (zie
Hesteren,"psychologie",blz 12).
8.3 Een les die getrokken kan worden uit deze theorie met betrekking tot
voedsel op het spoor
Grotendeels
de meeste geleiders gebruiken bij het aanleren van het speuren voedsel. Ik ook.
En ik denk dat daar niets mis mee is. Echter leert voorgaande theorie ons het
nu volgende feit over het gebruik van voedsel op het spoor en is iets waarmee
we wel degelijk rekening mee moeten houden!
Gebruik van
voedsel op het spoor is van grote invloed op de spoorsamenstelling. Immers de
geur van voer is zonder twijfel sterker dan die van bodembeschadigingen, kapot
getrapte planten, impregneermiddel of de nog geringere menselijke geur. Het
maakt daarbij niet uit of men een (onderbroken) sleepspoor maakt of brokjes op
het spoor legt. Indien men het gebruik van voedsel niet snel afbouwt kan het
volgende geschieden. De hond zal zich in eerste instantie gaan richten op de
overheersende geur van voedsel, en wat later (bij een onderbroken voedselspoor)
ook op de bodembeschadiging. De hond leert echter op deze wijze niet om de
zwakke individuele menselijke geur van de spoorlegger uit het geurcomplex van
het spoor te halen. De gevolgen zijn deze:
‑De
hond op deze wijze opgebouwd zal als gevolg van het niet kunnen waarnemen van
de
Individuele menselijke geur in zijn spoor
zonder bedenkingen overgaan op verleidingssporen en mechanische sporen
(bijvoorbeeld bandensporen van tractoren).
-Bovendien
ontbreekt de verbinding tussen de geur van het spoor (geur van voer en bodem- beschadiging)
en de voorwerpen (met de geur van de spoorlegger). De voorwerpen hebben dus voor
de hond geen betekenis en worden daardoor gemakkelijker overlopen.
8.4 De conditie waarin de hond zich verkeerd
-Speuren eist conditioneel veel van de hond. Iets wat
vaak over het hoofd wordt gezien. Het aanleren van het speuren is niet alleen
het aanleren wat wij van de hond verlangen maar ook geleidelijke opbouw van
“speurconditie”. Daarbij behoort het dus ook zo te zijn dat de hond lichamelijk
geen gebreken mag hebben. Enkele gebreken die van invloed zijn op de speurprestaties
van de hond zal ik hier kort belichten.
‑Beschadigt
slijmvlies achter in de neus veroorzaakt bijvoorbeeld door een ontsteking of het
opsnuiven van agressieve stoffen zoals ammoniak ontstaan uit natuurlijke
meststoffen.
‑Ontstekingen
in het bovengebit van de hond verstoren het reukvermogen van de hond. Dit omdat
hier achter de bovenhoektand het zogenaamde vomeronasale orgaan bevindt dat van
belang is voor het goed kunnen reuken van de hond. Men neemt zelfs aan, dat de
hond met dit orgaan kan ruiken onder het water. Ook het ontbreken van de
bovenhoektand zou invloed hebben op het reukvermogen van de hond.
‑De
neusspiegel behoort glad en vochtig te zijn. Scheuren en sneden in de
neusspiegel zijn pijnlijk voor de hond en zal invloed hebben bij het speuren.
‑Honden
kunnen een allergie hebben voor bijvoorbeeld graspollen. Je krijgt dan mogelijk
een “hooikoorts” effect van veel niezen, veel helder vocht uit neusgaten en
rode jeukende ogen.
‑Ontstekingen
van de neusholte hebben uiteraard ook invloed op het geurvermogen. Deze kunnen
veroorzaakt zijn door bacteriën, virussen, schimmels of een allergie.
8.5 Aanleren van het speuren
Ik beperk me
met het uitgangsprincipe dat er drie methoden zijn om een hond te leren
speuren.
1)Dit kan
met behulp van voedsel op het spoor.
Op deze
methoden zal ik uitgebreid terugkomen daar deze methode mijn voorkeur geniet.
Of
2)Met een
beloning op het eind van het spoor.
Deze methode
houdt in dat men bij aanvang van de opbouw een klein spoortje weglegt en de
hond zijn
stimulans voor te gaan speuren vindt in het feit dat aan het einde van het
spoor steeds een beloning voor hem legt. Deze beloning is dan het vinden van
een balletje/botje etc.
De sporen
worden langzaam steeds langer gemaakt.
Of
3)Men kan,
in mijn ogen als alle laatste noodoplossing, een sleepspoor gaan gebruiken
indien de hond totaal niet wilt gaan speuren.
Bij deze
methoden sleept men bij het uitleggen van het spoor bijvoorbeeld een lap pens
achter zich aan. Verder in de opbouw wordt de pens bij het uitleggen af en toe
van de grond getild en tenslotte wordt de hulp van de pens helemaal weg
gelaten.
Methode
nummer één zal het uitgangsprincipe zijn van het vervolg van dit hoofdstuk.
8.6 Wanneer beginnen we met speuren?
Men kan met
speuren gaan beginnen als de hond gewend is aan een leren halsbandje en er een
goede "band" bestaat tussen geleider en hond. Bij leeftijd van 7 à 8
weken zou men dus aan kunnen vangen. Echter voor onervaren geleiders of
geleiders die moeite hebben om met een pup te werken vind ik het geen goed idee
om op deze leeftijd te beginnen. Zeker niet met de methode zoals ik die zo
dadelijk ga beschrijven waarbij het “onbevangen corrigeren” om de hoek komt
kijken. Bij het “onbevangen corrigeren” is zeker veel gevoel van de geleider
nodig! Immers, zoals al bij de inleiding van dit hoofdstuk beschreven, is het
speuren een zeer moeilijk onderdeel voor de geleider. Voor genoemde geleiders
zal ik het advies willen geven een paar maanden langer te wachten. Vergeet
niet, alles wat op een leeftijd van 7 weken mis gaat zit er goed fout
geconditioneerd erin!
Echter voor
diegene die menen een hond op deze leeftijd aan het speuren te kunnen krijgen
zonder “druk” of “dwang” en in alle rust met veel geduld, zouden dit dan zeker
moeten doen. Bechtold schrijft hierover in het boek Bechtold,”africhting”,blz
22 het volgende. Succes is altijd afhankelijk van de vrijwillige bereidheid van
de hond en het is altijd verkeerd, om dit met dwang te willen proberen.
Spoorzekerheid en spoorvastheid zijn eigenschappen die de hond met lange
regelmatige oefening zelf ontwikkelt. De belangrijke hulp, die de geleider hem
hierbij kan geven, is voor voldoende oefenmogelijkheden te zorgen. Het
reukvermogen wordt al vroegtijdig ontwikkeld, met het africhten op het spoor
kan dus al begonnen worden als de hond nog zeer jong is. Tot zover Bechtold.
Indien men
de hond wil laten "opnemen" in plaats van het laten "verwijzen"
van de voorwerpen (over opnemen of verwijzen zo dadelijk meer) en men wil geen
voedsel gebruiken bij het aanleren van het speuren, dan kan men in de regel pas
later met het speuren beginnen. Het "opnemen" (=apporteren) van
voorwerpen op het spoor moet in dat geval van af het begin dat men aanvangt met
het speuren, de hond goed worden aangeleerd. De hond moet dus eerst het
apporteren op het appèltrainingsveld goed zijn aangeleerd.
De
combinatie van het aanleren van speuren m.b.v. balletje/botje en het later
leren verwijzen van de voorwerpen, geeft in de regel weinig problemen.
8.7 De keuze van opnemen of verwijzen?
Het laten
opnemen van de voorwerpen op het spoor i.p.v. het verwijzen, kan voor de hond
een grote beloning zijn tijdens het speuren, mits de hond daadwerkelijk zeer
graag apporteert. Echter verliest men in de praktijk vaak punten omdat de hond
wat knaagt op de voorwerpen, het voorwerp per ongeluk laat vallen etc.
Het risico
van opnemen is dus groter dan bij het verwijzen.
Verwijzen is
gemakkelijker aan te leren. Echter moet bij het verwijzen ook veel beloond
worden. Het vinden en verwijzen van een voorwerp moet de geleider met zijn hond
zeer enthousiast afwerken. D.w.z. veel aandacht aan het voorwerp besteden, wat
o.a. kan door zelf ook aan het voorwerp te snuffelen en de voorwerpen te
"ruilen" met voer. Een goede geleider kan van het verwijzen in de
ogen van de hond een compleet "feest" maken.
Het nadeel
van verwijzen blijft, dat de hond eerder de neiging heeft de voorwerpen te
overlopen. Zeker als men het hiervoor genoemde "feest" achterwege
laat en de hond erg sterk spoor gericht is.
8.8 De aanvang van de opbouw van de pup met toepassing van “onbevangen
corrigeren”
Het aanleren
van het speuren moet dus geschieden zonder "druk" of
"dwang" en in alle rust met veel geduld. Men heeft echter hierbij het
volgende probleem. Wat wij uiteindelijk moeten bereiken is dat de hond met veel
drift speurt, echter niet van links naar rechts wil schieten over het spoor en
een tempo van een rustige wandelgang aanhoudt. Echter “dwang” vanuit de
geleider om dit te bereiken mag dus niet bij het aanleren. Wat we echter zullen
zien bij een hondje met veel drift, en dat is toch dat genen waar we graag mee
werken, is dat deze bij het speuren zeer snel zal beginnen te trekken aan de
lijn. Om onze uiteindelijke doelstelling te bereiken en consequent te zijn in
de opbouw moeten we hier dus gelijk op reageren. Echter een correctie in de
ogen van de hond afkomstig van de geleider kan nu dus niet. Hoe het hondje dan
te temperen in zijn tempo? De methode die hiervoor bruikbaar is heb ik benoemd
met de term “onbevangen corrigeren”. Een correctie die de hond niet zal ervaren
als zijnde afkomstig van de geleider maar uit het “niets”. De hond ervaart dat
een te hoog tempo onplezierige ervaringen met zich mee brengt, rustig speuren
geen onplezierige ervaringen brengt. Daar de geleider, in de ogen van de hond,
hier verder geen bemoeienissen mee heeft zal er geen “vermijden” t.o.v.
geleider ontstaan en de hond heel het speuren zal ervaren als zijnde iets
zonder “druk” of “dwang”. Van belang voor het slagen van het “onbevangen
corrigeren” is dat de hond nooit gecorrigeerd mag zijn door de geleider of
ander persoon aan met een lijn. Het belang hiervan zal u zo dadelijk duidelijk
worden als ik de methode verder uit een zet. Echter lijken mijn correcties met
de lijn bij een pup van 7 weken volstrekt onnodig. Er zijn andere methoden om
een pup iets duidelijk te maken.
Echter
zullen deze correcties op latere leeftijd onvermijdelijk zijn. Op dat moment
zal het begrip “onbevangen corrigeren” dan ook langzaam zijn werking verliezen.
Dit is echter op dat moment niet een zodanige ramp. De hond is ouder en zal
correcties dus beter verdragen. Correcties vanuit de geleider zullen dan
langzaam deel gaan uitmaken van de opleiding van de hond.
Echter
d.m.v. “onbevangen corrigeren” konden we starten met de zeer jonge hond zonder
“vermijden” t.o.v. de geleider op te roepen en toch het gewenste gedrag af te
dwingen bij de hond. En daar ging het om.
8.9 De start van de opbouw
Wat we nodig
hebben voor onze eerste trainingen zijn:
‑voedsel
om op het spoor te leggen
‑speurpaaltje
‑zeer
klein halsbandje (bijvoorbeeld een kattenbandje)
‑licht
lijntje met een kleine musketon eraan
‑klein
doosje waarin een beetje voer past
‑lapje
om mee te kunnen spelen, later kan dit een balletje zijn
Als voedsel
moet men iets kiezen wat zeer klein is en weinig geur heeft. Immers, de hond
moet zo snel mogelijk een voetspoor gaan volgen, geen voerspoor en de hond moet
ook niet uit gaan kijken naar grote stukken voer maar zijn neus gebruiken om
zijn beloning te vinden.
Met
doodgewone kleine puppybrokjes heb ik goede ervaringen. Voor de slechte eters
zou men over kunnen gaan op hondenkoekjes, worst, kaas etc. Vis en anijs
schijnen een bijzonder lekkernij voor de hond te zijn. Maar het nadeel van het
gebruik van dit type voer heb ik zo even beschreven. Daarnaast moet men
proberen te voorkomen dat er geur van het voer aan je handen komt. De hond kan
dan bij het speuren heel snel de neiging hebben je handen te willen volgen
vanwege de lekkere geur die er aan zit. Bij het uitleggen van het spoor zal men
gebruik kunnen maken van plastic handschoenen die men dan voor het uitwerken
van het spoor met de hond uittrekt.
Duidelijk
mag zijn dat men het beste kan gaan speuren als de hond honger heeft.
Gedragsonderzoekers hebben ook vastgesteld dat de reukzin van de hond des te
gerichter en sterker wordt, naarmate deze naar voedsel verlangd.
We gaan ons
spoor uitleggen. De hond zit hierbij bijvoorbeeld vast aan een paal en moet
goed kunnen zien waar we mee bezig zijn.
Bij het
aanleren van het speuren moet men de windrichting goed in het oog houden. Het
aanleren moet men namelijk nooit tegen de windrichting in doen. De geur van het
voedsel op het speur zal de hond dan tegemoet komen. Men moet overigens altijd
proberen bij een jonge hond zo min mogelijk tegen de wind in te speuren, omdat
anders de hond gestimuleerd wordt om met een “hoge" neus te gaan speuren.
Ook lang gras stimuleert de hond te gaan speuren met een "hoge" neus.
Op latere leeftijd, als de hond eenmaal goed speurt, moet men op windrichting
en graslengte e.d. juist niet meer letten bij het uitleggen van het spoor.
Echter wel rekening mee houden bij uitwerken van het spoor met de hond (zie
verder in dit hoofdstuk de tekenschema’s hierover uit het boek van Bechtold).
Ideaal is
het om te beginnen met onze eerste speuractiviteiten op een weilandje met gras
dat slechts enkele centimeters lang is. We steken het speurpaaltje links van
ons in de grond en gaan nu een spoor uitleggen. Het spoor zal bestaan uit
voetstappen die recht achterelkaar zullen liggen met een tussen ruimte tussen
twee voetstappen van circa 20 centimeter. Je bent dus net een koorddanser. Men
moet niet de structuur van de ondergrond te veel beschadigen. Houdt het spoor
(=bodembeschadiging) vanaf het begin van de opbouw van het speuren zo
realistisch mogelijk. Veel beschadiging van de ondergrond zal bovendien de hond
uitnodigen te gaan zoeken met zijn ogen i.p.v. zijn neus. Voedsel wordt nu bij
elke punt van een voetstap gelegd. Men moet voorkomen dat het voer wegzakt
tussen het gras. Als de hond moet gaan wroeten om bij zijn voer te kunnen komen
zal dit de gewenste speuractiviteiten alleen maar verstoren. Het voedsel moet
in één seconde ”hapslik” weg zijn. In het begin eist het allemaal een beetje behendigheid.
Let op dat het eerste voer niet bij het speurpaaltje ligt. De hond moet niet
aangeleerd worden dat er voedsel ligt bij een speurpaaltje. Hiermee kan men de
hond een ongewenst gedrag aanleren bij de aanzet. De hond moet leren dat hij
moet gaan speuren bij de aanzet en niet voer wordt aangewezen bij de aanzet.
Dus het voedsel een halve tot één meter vóór of na het speurpaaltje leggen.
Tevens zo snel mogelijk helemaal geen voedsel in de buurt van het speurpaaltje
leggen. Het is ook goed om soms iemand anders zijn speurpaaltje te gebruiken.
Het kan zijn dat de hond reageert als het speurpaaltje anders eruit ziet of
anders ruikt dan normaal (bijv. bij examen of een wedstrijd). Hoewel dit
volgens de reglementen geen punten aftrek mag geven kan het toch een rommelige
aanzet te weeg brengen. Het op latere leeftijd laten apporteren van het
speurpaaltje nadat men gespeurd heeft, kan alleen maar slordigheden met zich
mee brengen voor wat betreft het speuren zelf.
Terug naar
het uitleggen van ons. Dat het spoor er uit ziet als zijnde uitgelegd door een
koordanser
moet men in verhouding brengen tot de grote van de hond. Immers het hondje is
nog zo klein dat voetstappen naast elkaar een veel te breed spoor geeft t.o.v.
de grote van de hond. Het hondje zal veel te veel gaan zwalken over het spoor.
We willen hem juist leren in
één rechte
lijn te gaan. Ons eerste spoortje zal niet veel langer moeten zijn dan ongeveer
10 meter.
Aan het
einde van het spoor leggen wij een doosje weg met daarin een beetje voedsel. Om
te voorkomen dat de hond het doosje te vroeg ziet liggen kunnen we het
eventueel een beetje bedekken met wat gras. We stappen enkele passen voorbij
het doosje door en gaan dan met een flinke boog van ons spoor vandaan richting
onze hond.
Enkele
meters voor het speurpaaltje maken we onze hond start klaar voor het gaan
speuren.
De hond
heeft een zeer klein halsbandje (bijvoorbeeld een kattenbandje) om waaraan een
licht lijntje m.b.v. een kleine musketon bevestigd is. Een speellapje zit in
onze zak.
We doen het
lijntje onder één van de voorpoten door gaan vlak achter onze hond staan met
wat gespreide benen en buigen ons over onze hond. De hand aan de zijde dat de
lijn onder de poot van de hond gaat gebruiken we om de lijn vast te houden. We
brengen onze hond tot vlak voor het eerste voer en geven het commando ZOEK. Nu
komt de techniek van het speuren m.b.v. het begrip “onbevangen corrigeren”. Een
belangrijk punt hierbij is onze kromme lichaamshouding naar de grond,
enthousiasme in onze stem te houden en zelf snuif geluiden te maken. N.B. wij
zijn het alfa‑dier, dat de hond zal volgen in zijn gedrag. Indien er een
goede verstandhouding is tussen hond en geleider, dan zal de hond op deze
gedragingen van de geleider reageren. Echter moet de hond leren/weten dat hij
de speurspecialist is. De uitgangsregel bij de gehele opbouw bij het speuren is
dus dat we nooit de hond aangeven welke richting het spoor gaat,
hooguit, als dat echt nodig is, waar geur ligt.
Neemt de
hond het spoor op dan belonen we zeer enthousiast met de stem en aaien hem
tegelijkertijd rustig over de rug. Indien de hond omhoog komt met de kop, stopt
met speuren of om wil gaan draaien, dan lichten met onze hand onder de buik de
hond iets op terwijl we zachtjes aan de lijn trekken, commando ZOEK enthousiast
geven en snuif geluiden maken.
Echter wat
we nooit mogen doen is de hond op welke wijze dan ook bestraffen. Dus nooit FOEI,
NEE, BETER, VOORUIT of wat dan ook met een negatieve toon hoogte. De hond moet
van voetstap naar voetstap speuren en we voorkomen dat hij voer mist of meer
dan 10 centimeter van het spoor af gaat m.b.v. onze lijn.
Gaat de hond
te snel speuren/trekken/rennen dan corrigeren we dit d.m.v. kleine rukjes aan
de lijn terwijl we tegelijkertijd braven en aaien. Nogmaals, nooit geen
mondelinge bestraffing dus! We zijn aan het “onbevangen corrigeren”. We
behouden drift bij de hond. We proberen te bereiken dat de hond speurt in een
rustig wandeltempo met een enig sinds doorhangende lijn.
We moeten
oppassen niet te veel onze handen te gebruiken bij het aangeven van het spoor.
De hond leert snel maar op deze aanwijzingen te wachten, bovendien kan er geur
van voer aan onze hand zitten. Onze handen moeten dus niet interessanter worden
dan het spoor of de wegwijzer van het spoor.
Aan het eind
van het spoor komt de hond ons doosje tegen. Nu gaan we voor de hond helemaal
een feestje bouwen. We zijn enthousiast, geven hem het voer. Als dit op is
nemen we ons lapje (op latere leeftijd wordt dat een balletje) uit de zak en
gaan met de hond hiermee spelen. Immers de hond moet leren dat het goed
uitwerken van een spoor deze beloning met zich meebrengt. Bovendien stimuleren
we hiermee de buitdrift van onze pup. Als de hond helemaal is opgebouwd moet
het zo zijn dat de hond weet dat hij naar het correct uitwerken van een spoor
en het verwijzen van het laatste voorwerp hij zijn bal zal krijgen. Dit moet
zijn motivatie worden om goed te speuren. Het is dus de “uitgestelde” beloning
waarover werd gesproken in het hoofdstuk “Communicatie en hoe honden leren”.
Het meest
ideale is om met onze pup elke dag te gaan speuren. De hiervoor beschreven
methode van een “koorddanserspoor” en voer bij elke voetstap houden we dan ongeveer
drie weken vol. Indien blijkt dat de pup het speuren snel oppakt kunnen we elke
dag het spoor een beetje langer maken. Tegelijkertijd gaan we bij het uitwerken
van het spoor steeds meer achter onze hond lopen i.p.v. over onze hond
meelopen.
8.10 De eerste hoek in het spoor
Men moet er
op letten dat al zo vroeg mogelijk in de opbouw van het speuren, sporen met
hoeken gelegd worden. N.B. men moet voorkomen dat de hond zich gewoon vooruit
gaat bewegen richting beloning, zonder echt te speuren. Echter moet men eerst
spoorvastheid op de benen (de rechte stukken) zien te bereiken en dan pas
hoeken in het spoor gaan aanbrengen. Echter deze spoorvastheid zal er na de
eerste drie weken van elke dag speuren er zeker aardig in zitten.
Over het hoe
aanleren van het hoekenwerk bestaat nogal wat verschil van mening. De hoeken
kunnen aangeleerd worden d.m.v. met bogen in het spoor of door de hoeken gelijk
haaks in het spoor te leggen.
Bij het
aanleren met bogen worden grote bogen in de benen ingebouwd. Deze bogen worden
vervolgens stelselmatig zo afgebouwd tot de gewenste hoek is bereikt (=haaks).
Met deze methode wordt voor de hond een gemakkelijke overgang naar hoeken
mogelijk. Zo wordt er op de hond geen druk uitgeoefend en dus negatieve
gevoelens opgedaan bij het speuren.
Het voordeel
van het gelijk haaks leggen van de hoeken t.o.v. eerst de hoeken met een
bochtje te leggen kan zijn dat men de hond meteen aanleert bij een hoek (=het
moment de hond geur van het spoor mist) gelijk stil te blijven staan en ter
plaatsen lokaliseert welke richting het spoor verder gaat. M.a.w. overlopen
e.d. wordt gelijk de kop in gedrukt.
Een goed
compromis met beide methoden is misschien gebruik te maken van hoeken van 45
graden.
Bij de keuze
van de methode voor het aanleren van het hoekenwerk zal men rekening moeten
houden met het type hond waarmee men werkt maar vooral ook zal er gekeken
moeten worden naar het "kunnen" (= de ervaring/aanleg) van de
geleider die het in de praktijk moet brengen. Ik zelf heb goede ervaringen met
het gelijk leggen van haakse hoeken. Bij het leggen van de haakse hoek vervolg
ik gewoon mijn ”koorddanserspoor”‑methode met voer bij elke voetstap.
Voor welk
systeem men ook kiest, uiteindelijk moet het zo zijn dat de hond geleerd heeft
dat wanneer het spoor ophoudt recht door te gaan (= bij haakse hoek), gelijk
moet halt houden en de richting van het spoor moet lokaliseren.
Ten slotte
nog over het aanleren van het hoekenwerk. Bij het aanleren van het hoekenwerk
moet men zeker rekening houden met de wind. Het spoor na de hoek mag niet tegen
de wind in gaan. Immers, we moeten de hond leren het voetspoor te blijven
volgen en niet de voedselgeur die hem tegemoet zal komen waaien bij het speuren
tegen de wind in.
8.11. De start van de afbouw van het gebruik van voer en meer variatie in
het spoor
Afbouwen van
het gebruik van voedsel lukt in de regel vrij snel. Echter het afbouwen van het
gebruik van voedsel moet wel worden uitgevoerd zodra dit mogelijk is. Men bouwt
hiermee “reserve" op, m.a.w. in "moeilijke tijden" van te weinig
drift kan men weer met (meer) voedsel gaan werken zodat “verloren” drift
herwonnen wordt.
Bovendien
heb ik in het begin van deze uiteenzetting over het speuren, bij het gedeelte
theorieën en proeven, al beschreven waarom het belangrijk is dat een hond leert
de zwakke individuele menselijke geur uit een geurcomplex van het spoor te
halen.
Als we ongeveer
vier weken bezig zijn met elke dag speuren en we hebben de eerste hoeken in het
spoor liggen dan wordt het stilaan tijd langzaam af te stappen van ons
“koorddanserspoor”.
Immers onze
hond groeit en is ondertussen aardig spoorvast. We gaan bij het uitleggen van
het spoor elke trainingsdag onze voeten steeds iets verder uit elkaar zetten.
D.w.z. onze voeten gaan we steeds meer naast elkaar zetten gedurende het
uitlopen van het spoor. Bovendien wordt de afstand tussen de voetstappen in
voorwaartse richting ook steeds groter.
Tegelijkertijd
wordt er regelmatig het leggen van voer bij een opvolgende voetstap
overgeslagen. De verhouding van een voetstap met voer en een voetstap zonder
voer gaat men dus langzaam verleggen. Daarnaast maken we onze voetafdruk ook
steeds minder diep in de ondergrond. We stimuleren hiermee dat de hond zich ook
meer gaat oriënteren op de individuele menselijke geur die op het spoor ligt.
We gaan dus
langzaam af van ons “koorddanserspoor” met voedsel op elke voetstap. Het tempo
dat we dit doen is afhankelijk van de reactie van de hond op de verandering van
de structuur van het spoor. Het zal echter altijd zeer geleidelijk moeten
gebeuren. We variëren ook het patroon van het spoor zo vaak mogelijk. Ook
gewenning in een bepaald patroon kan snel optreden.
We moeten
tevens er aan denken onze hond niet te gaan conditioneren op alleen grasland.
Zodra onze
hond aardig door heeft wat speuren inhoud moet men zeker ook gaan speuren op
andere ondergrond dan alleen gras. Verschillende type akkerland waar het gewas
af is behoren ook snel gebruikt te worden gedurende de aanvang van de opbouw
van de hond in het speuren. Ook weilanden met veel koeienvlaaien mogen niet
gemeden worden.
Ook variatie
in het gebruik van type schoeisel is een goed idee.
We maken ons
spoor dus steeds langer en moeilijker. Met de uitbouw hierin moeten we
uiteraard niet te hard van stapel lopen. Echter zal de hond als pup al moeten
leren dat hij weliswaar de speurspecialist is maar wij als geleider bepalen
wanneer er gestopt wordt met speuren. Door dat de sporen wat langer en
moeilijker worden zal de hond de neiging krijgen om de concentratie te
verliezen. Wederom geldt hierbij, indien de hond omhoog komt met de kop, stopt
met speuren of om wil gaan draaien, dan lichten met onze hand onder de buik de
hond iets op terwijl we zachtjes aan de lijn trekken, commando ZOEK enthousiast
geven en snuif geluiden maken. Echter wat we nooit mogen doen is de hond op
welke wijze dan ook bestraffen. Dus nooit geen FOEI, NEE, BETER, VOORUIT
of wat dan ook met een negatieve toon hoogte. We blijven dus zeer consequent
met onze methode “onbevangen corrigeren” bezig en leren hem hiermee dus ook dat
wij bepalen wanneer we stoppen met speuren. Dat wij dit bepalen is een pup
gemakkelijker bij te brengen dan een volwassen hond en daarom belangrijk in een
vroeg stadium de situatie te creëren dat de hond er even “genoeg” van heeft
zonder enige stress op te roepen.
We kunnen
eventueel overgaan tot het gebruik van een slipketting, niet op rijgen
gebruikt, om hardere “onbevangen correcties” mogelijk te maken als dat nodig
zou zijn. Wandeltempo gedurende het speuren blijft onze eis.
8.12 De richtlijn in de habitat van de hond en andere zaken waar we
rekening mee moeten houden
De hond
volgt snel de natuurlijke lijnen van de omgeving waarin hij speurt. In de
ethologie spreekt men dan van een richtlijn in de habitat van de hond.
Natuurlijke
lijnen zijn o.a. afrastering, de machinale zaairichting van een weiland, de
sporen van bemesting d.m.v. injecteren van gier, sloten, wegbermen, ploegvoren,
wagensporen etc.
Bij
beginnende honden, dus ook bij onze pup, moet men er dan ook voor zorgen dat
het spoor duidelijk bepaalde richtlijnen volgt. Hierdoor wordt voor de
beginnende hond bijvoorbeeld het nemen van hoeken niet onnodig moeilijk
gemaakt. Voor een meer ervaren hond wordt dit verhaal dus anders. Voor wat
betreft deze natuurlijke lijnen, geeft het "doorbreken" van dit
probleem met sporen die 90 graden op de natuurlijke lijnen staan in de regel
niet zoveel problemen. Echter met sporen 45 graden op de natuurlijke lijnen kan
de hond veel problemen hebben. (Zie ook: Haak,"speuren",blz 55 en
Rheenen,"kennis",blz 39).
Naar mate de
hond meer ervaren wordt met het speuren, moet men het spoor zoveel mogelijk afwisselen.
Deze afwisseling geldt zowel voor het spoorvorm (al dan niet de natuurlijke
lijn volgend), als de ondergrond waarop de hond moet speuren. Wat dit laatste
betreft: door op steeds hardere ondergrond over te gaan, neemt ook hierdoor het
speuren gericht op bodembeschadigingen af en neemt het speuren gericht op
individuele menselijke geur toe. Over het voordeel hiervan heb ik het al gehad.
Het speuren
met het oversteken van sloten, weggetjes en het passeren van afrastering etc, zorgt
ervoor dat het speuren voor baas en hond leuk blijft. Slordig speuren hierbij
tolereren echter nooit. Een goede oefening om de hond goed te kunnen
controleren of hij nog elke voetstap opneemt is door in het spoor een
“overstap”-patroon te leggen. D.w.z. bij het uitleggen van het spoor kruist men
op een bepaald moment de voet voor de andere voet waarna men deze andere voet
normaal voor de gekruiste voet zet. Is men op deze wijze een meter of twee
afgeweken van de oorspronkelijke richting en ligging van het spoor, dan gaat
men op dezelfde wijze weer terug naar de oorspronkelijke richting en ligging.
Men heeft dus een soort golfbeweging in het spoor gekregen.
Het is goed
om te weten dat een hond van de natuurlijke neiging heeft om op de randen van
het spoor of net naast het spoor te gaan speuren. Dit doet hij om verzadiging
van zijn neus te

voorkomen. De hond zal daarom ook regelmatig een
"frisse neus halen", door zijn kop even omhoog te doen of even naast
het spoor te gaan. Ook bij sterke zijwind op het spoor, zal de hond door
verwaaiing van het spoor naast het spoor kunnen gaan speuren. Dit zijn echter
zaken waarin we de hond bij de opbouw van het speuren niet te veel vrijheid
moeten geven. We moeten er van uitgaan dat de hond op het spoor moet speuren en
goed "diep" met zijn neus moet zitten. Deze vrijheid geven we de hond
niet, voor "de punten" op het examen/de wedstrijd die we graag zouden
halen en dus voor "het oog van de keurmeester". Echter wanneer wij
bij een hond met een sterke drang van natuurlijk speuren tegen deze
"drang" ingaan, kunnen hierdoor andere problemen ontstaan.
Bij warm
weer speurt de hond met een hogere neus. Het is dan aan de grond veel warmer,
waardoor de geur meer opstijgt.
NB aan de
grond is de temperatuur aanzienlijk hoger dan bijvoorbeeld één meter boven de
grond.
Een hond die
met zijn neus diep aan de grond een spoor volgt, is nog niet altijd een
betrouwbare speurhond zoals wij dit verlangen. Of hij ook dit spoor blijft
volgen indien andere sporen zijn spoor kruisen, is nog maar de vraag. Een
minder ervaren hond zal gemakkelijk overgaan op het andere spoor en dit
verleidingsspoor blijven volgen. De honden zijn weliswaar spoorvast,
maar nog niet spoorzuiver. Honden die geen moeite hebben met
verleidingssporen met een zeer gering tijdsverschil worden spoorzuiver genoemd.
De hond
onderscheidt heel goed het verschil in leeftijd van sporen. Een verschil van
vijf minuten zou hij al waar kunnen nemen (in sommige literatuur wordt zelfs
over een nog kortere tijd gesproken). Dus een verleidingsspoor dat het spoor
doorkruist waarop de hond is aangezet met een tijdsverschil van 10 minuten, mag
geen probleem opleveren voor een goed opgebouwde hond. N.B. dit
verleidingsspoor kan ook van een konijn of haas e.d zijn!
Ligt er
minder geur op het speur, dan speurt de hond intensiever.
Ligt er veel
geur op het spoor, dan heeft de hond de neiging slordiger te gaan speuren.
De hond is
gewend om zien en ruiken in vele gevallen te combineren. Hij bezit stellig een
andere waarnemingsdrempel voor die zintuigen bij hun natuurlijke samenwerking,
dan bij afzonderlijke prikkeling. Het is daarom ook zeer onlogisch te
veronderstellen dat speurende honden alleen hun neus gebruiken en niet met hun
ogen zoeken naar bodembeschadigingen of veranderingen in het terrein. M.a.w.
een hond "speurt" ook met zijn ogen! Hij ziet dus voetstappen in het
zand of het langere gras. Het "speuren" met de ogen moet men proberen
te voorkomen door zorgvuldig het speurterrein te selecteren.
Zodra onze
jonge hond een behoorlijk spoor met wat hoeken kan uitwerken dan mag men
langzaam beginnen met het een tijd wachten voor het gaan uitwerken van een
uitgelopen spoor met de hond. De hond hoeft dan ook niet meer op het speurveld
aanwezig te zijn op het moment dat het spoor wordt uitgelegd. Uiteraard moet
men deze tijd tussen uitleggen en uitwerken van het spoor langzaam op laten
lopen gedurende opeenvolgende trainingen. Hierbij moet men steeds rekening
houden met de invloeden van het type ondergrond van het spoor en het weer
v.w.b. waarneembaarheid van een geurspoor. Meer over de waarneembaarheid van
een geurspoor zijn te vinden achter in dit hoofdstuk speuren bij de tabellen
van Toman.
Ook de
afstand tussen hond en geleider kan men steeds wat groter gaan maken. Echter
hoe groter deze afstand is, hoe minder zicht men heeft op het nemen van hoeken
en het verwijzen van de voorwerpen. Ik ben dan ook geen voorstander om bij
trainingen altijd op 10 meter achter de hond te lopen bij het speuren.
Grotendeels van de trainingen loop ik niet meer dan circa 4 meter achter een
ervaren hond. Dit geeft me mogelijkheid om “scherp” te kunnen reageren op het
doen en laten van de hond.
8.13 De voorwerpen
In deze
uiteenzetting ga ik er van uit dat men de hond de voorwerpen laat verwijzen
d.m.v. afgaan bij het voorwerp. Zelf acht ik het niet noodzakelijk of zelfs
niet zinvol om hiermee vroeg in de opbouw te beginnen. Pas als de hond een
behoorlijk spoor met een aantal hoeken zelfstandig kan uitwerken vind ik het
tijd geworden dat men start met de hond voorwerpen leren verwijzen. Echter
wanneer men ook begint met het leren verwijzen, het kan niet anders zijn dat de
hond op het appèltrainingsveld geleerd heeft wat AF is of, indien men verwijst
d.m.v. apporteren, de hond geleerd is wat APPORT is. Het kan niet zo zijn dat
men de hond leert verwijzen en AF of APPORT tegelijkertijd.
De eerste
voorwerpen dienen behoorlijk van voormaat te zijn. Een in elkaar gevouwen sok
of een portemonnee zijn ideaal om mee te beginnen. Komt de hond bij het
voorwerp aan dan wordt in alle rust de hond duidelijk gemaakt dat hij hierbij
AF moet. Uiteraard loopt men op dat moment vlak achter de hond en niet op
enkele meters. Het zal altijd belangrijk blijven om op het moment dat de hond
voorwerpen gedurende speurtrainingen correct verwijst, enthousiast te reageren.
Honden die graag en in hoge drift speuren zullen het verwijzen van voorwerpen
een noodzakelijk kwaad vinden. Een passieve houding van een geleider na het
verwijzen zal zeker de hond geen motivatie geven om correct te verwijzen.
Zeer
belangrijk is dat men altijd exact weet waar de voorwerpen liggen. Het
consequent corrigeren van een dreigende “overloping” van een voorwerp is één
van de pijlers voor een uiteindelijk goed opgebouwde hond die "save"
is v.w.b. het verwijzen.
Is de hond
d.m.v. trainingen behoorlijk "save" geworden v.w.b. het verwijzen dan
is de volgende stap noodzakelijk. Men gaat het formaat van de voorwerpen
verkleinen. Daarnaast gaat men het type voorwerp steeds variëren. Lapjes,
katoen, linnen, een pen, een slangetje, stukje leer, onbewerkt stukje hout,
bewerkt stukje hout etc, etc. Wat men zeker niet moet nalaten de voorwerpen van
elkaar gescheiden te houden. Immers, bepaalde materialen hebben een zeer
dominante geur en zou deze over kunnen dragen aan andere typen voorwerpen. Zo
heeft bijvoorbeeld leer een sterke typische geur. Zou men leer en bijvoorbeeld
hout in één zak bij elkaar bewaren, dan zou ook het hout een "leer
luchtje" krijgen. Het is echter de bedoeling dat de persoonlijke geur van
de spoorlegger, in eerste instantie is dat die van de geleider zelf, gekoppeld
wordt aan de typische geur van een bepaald voorwerp en dit door de hond tijdens
de trainingen correct verwezen wordt. Zo zal men op een evenement niet verast
worden dat de hond niet correct verwijst omdat het voorwerp voor de hond
"onbekend ruikt". Daarom, ten alle tijden moeten de verschillende
materialen uit elkaar gehouden worden en regelmatig verversen van de sokken,
houtjes etc, etc, is ook zinvol.
Het
uitwerken van een "vreemd spoor" met voorwerpen van deze
"vreemde" is de volgende fase in de opbouw van het speuren met
"save" verwijzen. Over "vreemd spoor" lopen verder in dit
hoofdstuk meer.
Als men de
hond op hiervoor beschreven wijze heeft opgebouwd v.w.b. het verwijzen, dan zal
men een hond hebben die voorwerpen verwijst waaraan de persoonlijke geur
verbonden is van de spoorlegger. Immers dit is wat men de hond heeft
aangeleerd. Het verwijzen van toevallig op het spoor liggende voorwerpen zoals
zwerfpapier, plastic etc, zal achterwege blijven.
Een
bijkomend voordeel als de hond heeft leren verwijzen van voorwerpen is dat men
locaties heeft verkregen op het spoor waar men de hond tot rust kan brengen.
Een locatie dus om de hond even rustig aan te halen en de drift even te laten
wegzakken. Het in drift komen, het weer tot rust komen en het terug in drift
komen is iets waar de hond mee moet leren omgaan. In deze fase kan men ook
gedurende de speurtrainingen voor het aanzetten bij het speurpaaltje, de hond
een meter of 3 vóór het speurpaaltje even AF leggen. Dit kan rust geven en
concentratie voor het gaan speuren bij zowel de hond als de geleider.
8.14 Vreemd spoor
"Vreemd
spoorlopen" kan goed zijn om als geleider vertrouwen in je eigen hond te
krijgen.
M.a.w. als
geleider moet je wennen aan het feit dat je het spoor niet of niet exact weet
te leggen. Het is dus een psychologische voorbereiding van de geleider zodat
deze zijn hond niet onnodig in onzekerheid brengt zodat ze samen als een koppel
klaar staan voor het grote werk.
Echter als
een "vreemd spoor" door iemand, voor iemand is uitgelegd, dan moet
deze spoorlegger exact weten waar het spoor ligt met zijn hoeken gedurende de
periode dat de geleider met zijn hond het spoor uitloopt. De spoorlegger kan
dan op het juiste moment gedurende de training ingrijpen als dat nodig mocht
zijn. Men behoort dan ook met de keuze van de spoorlegger zeer kritisch te
zijn.
Speuren op
een vreemd spoor moet men dan ook naar mijn mening niet vaker doen dan
noodzakelijk is. De hond zelf zal geen moeite hebben met de andere individuele
geur op het spoor. Van nature nemen zij deze lucht bij de aanzet op en blijven
deze opgenomen lucht dan volgen. Er bestaat echter wel het gevaar van het
"systeem speuren". Iedere spoorlegger heeft namelijk zijn eigenaardigheden,
manier van lopen, pas lengte, wijze van hoeken nemen, vorm van het spoor,
indeling van het spoor op het speurterrein etc. Wanneer nu de hond slechts één
systeem van spoor leggen kent is het zeer wel mogelijk dat hij bij andere
"systemen" in moeilijkheden komt. Zelf kan men daar veranderingen in
brengen door de ene keer korte of middellange passen te nemen en de andere keer
grote passen etc. Betreffende het "vreemd spoor" moet men dan ook
zoveel mogelijk wisselen van "vakbekwame" spoorleggers.
Ook
"vreemde" voorwerpen moeten worden aangeleerd. Het gaat dan niet zo
zeer om de vreemde geur, maar om de combinatie: vreemde persoonlijke geur +
vreemd voorwerp. Het hoe en waarom heb ik al beschreven bij het onderwerp 8.13,
De voorwerpen.
Een andere
theorie die betrekking heeft op het “vreemd lopen” is het
“angstgeur”-complex. Deze theorie gaat er van uit dat bepaalde negatieve
ervaringen door de hond gekoppeld zijn aan een bepaalde persoonlijke geur op
het spoor. Dit zal dan meestal wel de persoonlijke geur van de geleider zelf
zijn. Om dit complex te doorbreken zou het dus goed zijn een andere
persoonlijke geur op het spoor te hebben dan de persoonlijke geur waar de hond
een “angstgeur”-complex bij heeft. Ik hou het ontstaan van het
“angstgeur”-complex wel voor mogelijk, maar de oplossing zal ik enkel en alleen
zoeken bij het gedrag van de geleider of wie dan ook verantwoordelijk is voor
het “angstgeur”-complex.
8.15 Hard trekkende honden - de “speurtuig/halsketting” methode
Voor veel
geleiders (vooral voor onervaren geleiders) is een hard aan de speurlijn
trekkende en drukke hond vaak een groot probleem. Bovendien is een op deze
manier speurende hond in de regel erg slordig en wordt het hard trekken van de
hond door keurmeesters meestal als ongewenst aangerekend. De hiervoor
beschreven opbouw van de hond met het "onbevangen corrigeren"
voorkomt dus dit probleem. Echter ik beklemtoonde bij de uitleg van de methode
van "onbevangen corrigeren" dat naar mijn mening voor onervaren
geleiders met zeer jonge honden het toepassen van deze methode te riskant is.
Zelfs met een ervaren instructeur erbij. Beter is het voor deze onervaren
geleiders om op een latere leeftijd van de hond te beginnen met deze methode.
Als deze personen toch met een hond van een zeer jonge leeftijd willen beginnen
met speuren doen ze er verstandiger aan de hond vrij te laten in zijn keuze of
hij rustig speurt of hard trekt gedurende het speuren. Mocht de hond echter zo
druk worden omdat deze er zoveel plezier (=drift) in krijgt en echt niet meer
in de hand te houden is, dan kan men het beste de hond voor wat betreft het
speuren "stil leggen". D.w.z. de hond zijn speurdrift is
aangewakkerd, het is voor een deel duidelijk gemaakt hoe wij van hem verlangen
dat hij met deze met speurdrift omgaat en laten voorlopig het speuren
achterwege. De oplossing van dit probleem dat dan ontstaan is kan men op
onderstaande wijze oplossen op een leeftijd dat de hond goed kan omgaan met
correcties. De methode noem ik maar de “speurtuig/halsketting” methode. Echter
de beschreven methoden is naar mijn mening niets om voor onervaren geleiders in
hun eentje in praktijk te gaan brengen. Het is namelijk zaak er van overtuigd
te zijn dat het daadwerkelijk nodig is en de hond het aan kan. Begeleiding met
een ervaren iemand bij toepassing van deze methoden is een MUST!
Is men niet overtuigd
dat de hond goed om kan gaan met stevige correcties voor het te hard trekken
tijdens het speuren, dan kan het een goede keuze zijn de hond te laten blijven
speuren zoals deze speurt. Men kan dan eventueel nog een overweging maken
tussen de keuze van het speuren met een speurtuig of het speuren met een
speurlijn aan een halsketting (niet op rijgen!) en deze lijn over de borst
tussen voor- en achterpoten laten doorlopen of alleen onder één voorpoot laten
doorlopen. Zelf heb ik goede ervaringen met het speuren aan een halsketting. In
de literatuur heb ik over deze materie nog het volgende gevonden.
-Het nadeel
van een speurtuig is dat indien de hond krachtig trekt deze slechts moeilijk te
houden is en wordt er geen onmiddellijke druk op hem uitgeoefend om zijn neus
aan de grond te houden. Met de “halsketting” methode trekt de hond zelf zijn
kop in de gewenste lage kophouding (Bechtold”africhting”,blz 27).
Echter Toman
zegt hierover...de hond zo laten speuren mat hem alleen maar onnodig af, omdat
de hond niet constant zijn neus boven de grond hoeft te houden om goed te
kunnen speuren. M.a.w. men dwingt de hond iets onnatuurlijks af, alleen maar
voor “het oog van de keurmeester” (Toman,”politiehond”,blz 189).
Naast deze
wijsheid uit de literatuur wil ik er nog op wijzen dat een geleider ook moet
leren zijn hond goed aan te zetten. D.w.z. hond aanzetten met een commando ZOEK
en stil blijven staan totdat de speurlijn op 10 meter is. Hierbij behoort de
speurlijn dan vloeiend door de handen heen te glijden en wel zodanig dat de
hond in een aanvaardbaar tempo vertrekt. Dit door de handen heen laten glijden
van de speurlijn zal bij honden die hard trekken bij het speuren een probleem
op kunnen leveren. De lijn goed nat maken voor men gaat speuren is bij deze nog
een goede tip. Gestuntel van de geleider bij de aanzet met de speurlijn kan de
hond beïnvloeden in zijn speurprestaties.
Voor diegene
die er voor kiezen de “speurtuig/ketting” methode toe te gaan passen volgt nu
de nodige informatie over deze methode.
Men heeft
dus een zeer drukke hond met veel speurdrift gedurende het speuren en men weet
dat de hond goed belastbaar is met correcties. Dan moet men zich gelukkig
prijzen met het bezit van de betreffende hond. Dergelijke honden hebben
namelijk veel "over" en hiervan kunnen prima speurders gemaakt
worden. Om deze honden netjes en rustig te leren speuren zal in de regel niet
aan een paar flinke correcties te ontkomen zijn. Mijn ervaring dat de meeste
honden op de leeftijd van 3 tot circa 8 maanden dergelijke druk nog niet kunnen
verdragen, hoewel er natuurlijk altijd uitzonderingen zullen zijn. Het is dus
voor de meeste honden beter dan deze zijn eerste flinke correcties ervaart bij
het appèl, dus zeg met ongeveer 8 à 9 maanden. Als o.a. het volgen hem dan een
beetje is aangeleerd en de beginselen van de overige elementaire
gehoorzaamheid, dan kan men het speuren weer gaan oppakken.
Nu moet de
hond dus ook op het speurveld tot de orde geroepen te worden. De methoden
berust op het principe speuren op het speurtuig, correcties met een tweede lijn
aan een hals(prik)ketting. De hond krijgt dus een hals(prik)ketting om waaraan
een lijn wordt bevestigd die dan achter één
van zijn
voorpoten door moet lopen. Daarbij draagt de hond een normaal speurtuig waaraan
de tweede lijn wordt bevestigd die gewoon over de rug van de hond loopt. Het is
de kunst deze lijnen niet met elkaar verward te laten raken en het verschil van
functie goed uit elkaar te houden.
De lijn aan
de hals(prik)ketting hangt altijd door en wordt alleen kort aangetrokken voor
een correctie uit te voeren. Je kunt het gebruik vergelijken met het gebruik
van een slipketting bij het aanleren van het volgen. Als de hond te hard trekt
aan het tuigspeurlijn behoord er dus met de hals(prik)kettinglijn gecorrigeerd
te worden. Dit moet kort en krachtig gebeuren, als je dit te "soft"
uitvoert heeft het geheel te weinig effect. Zaak is na een correctie de hond
aan te sporen verder te speuren, zij het dus in een rustig tempo. Stapvoets is
de ideale snelheid. Op de lijn aan het tuig behoord tijdens het speuren altijd
iets of wat spanning te staan, maar het moet niet zo zijn dat de hond zich aan
deze lijn vooruit trekt.
Bij het
toepassen van deze methode moet men er rekening mee houden dat het speuren even
iets "minder" zal worden en dat er stress op zal gaan treden. Deze
stress hoeft niet alleen door het "prikken" te komen, maar kan alleen
al ontstaan omdat de hond wordt geremd in het uiten van zijn driften.
Het is
belangrijk goed met de stress om te springen. Daarom is ervaring in de buurt
hoogst noodzakelijk. Echter indien het goed werkt zal men zien dat men een
rustige, netjes speurende hond er aan over houd.
Men dient er
echter rekening mee te houden dat bij het examen men de hond of
met een speurtuig, of met een lijn aan een halsketting moet
voorbrengen. Er zullen honden zijn die bij het gaan speuren met een speurtuig
gelijk weer terug blijven vallen in hun oude kwaal van trekken etc. Deze honden
zijn in de regel wel goed in de hand te houden als men ze voorbrengt met een
lijn aan de halsketting. Met deze honden moet men uiteindelijk ook gaan trainen
met alleen een lijn aan de hals(prik)ketting (achter één poot door dus) en het
speurtuig dus achterwege laten.
Bij de
opbouw heeft men dan toch echter wel profijt gehad van deze "speurtuig/halsketting@
methode omdat de hond maximaal te corrigeren was.
8.16 Honden met weinig speurdrift/problemen hebben met liggend verwijzen
Ik ben in
mijn gehele uiteenzetting er van uit gegaan dat we werken met een zeer
temperamentvolle en behoorlijk belastbare hond bij het speuren. Echter hebben
we in de hondensport ook te maken met honden die dit niet in zich hebben. Vaak
bij het verwijzen van de voorwerpen komen bij dit type honden een ongewenst
beeld te voorschijn. Toch geeft het volgende verhaal aardige resultaten en
tevens een leuk beeld van een speurende hond.
Honden die
weinig speurdrift blijken te hebben maar wel veel buitdrift t.o.v. een balletje
e.d. is de volgende handeling bruikbaar om de speurdrift te stimuleren. Maak de
hond enkel meters voor de aanzet gek op het balletje. Laat hem springen naar
het balletje etc, maar geeft hem het balletje niet. Als de hond goed in drift
is gebracht m.b.v. de bal, zet deze dan gelijk aan het speuren bij de aanzet.
Dit moet dus dan zeer snel en soepel bewerkstelligd worden. Laat hem een klein
stukje speuren tot een (andere) bal die op het spoor ligt en laat hem met de
gevonden bal spelen. Het stuk dat de hond moet speuren kan men steeds groter
gaan maken. Men maakt op deze wijze gebruik van het systeem:
Over dit
systeem is meer te lezen bij de hoofdstukken appèl en manwerk en is dus ook
bruikbaar bij het speuren.
Ook voor
honden die moeilijk AF te krijgen zijn bij een voorwerp is deze manier van
werken goed toepasbaar. We leren dan dus de hond dat snel af gaan bij een
voorwerp (=dwang) snel het bezit van de bal brengt (=driftbevrediging).

8.17 De invloed van de wind bij het speuren
Overgenomen
uit Bechtold,"africhting",blz
31


8.18 Waarneembaarheid van het geurspoor door de hond volgens Toman
Overgenomen
uit Toman,"politiehond",blz
195 e.v.
Weers- Wind Temperatuur Waarneem-
gesteld-
Baarheids-
heid warm (GrC.) koud
duur*
-----------------------------------------------------------------------------------
Gras zonnig zwak tot +20 18-24uur
regen sterk tot +10 2 - 4uur
sneeuw stil -1 tot -4 6 - 8uur
sneeuw sterk tot -8 max.1uur
------------------------------------------------------------------------------------
Akker zonnig
zwak tot +20 16-19uur
grond bewolkt
sterk tot +20 5 - 7uur
zonnig stil boven +20 8 -15uur
regen zwak ca. +25 2 - 3uur
zonnig zwak tot -4 10-12uur
sneeuw zwak tot -8 1 - 2uur
------------------------------------------------------------------------------------
Houten zonnig
zwak tot +20
2 -5uur
vloer regen
sterk tot +20 minimaal
------------------------------------------------------------------------------------
Zand- zonnig zwak tot +20 5
-8uur
weg regen sterk tot +20 max.2uur
bewolkt zwak
tot
-8 7 -12uur
*Deze kan
sterk afwijken en is afhankelijk van onvoorstelbaar veel beïnvloedingsfactoren,
die voor de mens grotendeels nog onbekend zijn, maar wel waarneembaar door de
hond.
Zeer warme
ondergrond (bij 20E en meer) doet de spoormoleculen verzwakken en door het
opstijgen van de warmte (verdamping) worden ze meegenomen en verspreid.
Naarmate de grond voor het opkomen van de warmte vochtiger was, zal het
verdampingsproces krachtiger worden en daardoor wordt ook de duur van de spoorwaarneembaarheid
voor de hond bekort.
Koude
ondergrond (tot ca.-8E) mits niet aan de wind blootgesteld behoudt de
spoormoleculen vrij lang. Bij het uitwerken zal de moeilijkheid zich voordoen,
dat de hond al na korte tijd meer en meer ongevoelig gaat worden het spoor waar
te nemen. De kou zal zijn neusorgaan als het ware doen verkoelen en hierdoor
minder gevoelig maken.
Vorst
(sterker dan -8E) maakt het de hond vrijwel onmogelijk spoormoleculen waar te
nemen. Opletten nu, verwar echter niet het gelegde spoor met een onder een
sneeuwlawine bedolven slachtoffer, dat de hond na 15-25 uur nog vrij gemakkelijk
kan waarnemen, zelfs bij grote kou tot ca. -15E, maar daarna steeds minder,
daar bij een te zware vorst de spoormoleculen bevriezen, geconserveerd worden
en niet meer bewegen.
Voor
lawinehonden produceert het bedolven lichaam langere tijd een constante bron
van spoormoleculen. Naarmate het lichaam nog enige warmte produceert, drie door
de sneeuw kan dringen, levert het enige voor de hond waarneembare spoormoleculen
op. Is de bedolven persoon echter overleden en het lichaam afgekoeld, dus net
zo koud als de omgeving (sneeuw, ijs), dan komen er ook geen spoormoleculen
meer vrij, ze zijn dan te sterk afgekoeld (geconserveerd) en de zoekende
lawinehond kan niets meer vinden. In het voorjaar, als de dooi intreedt,
ontdooit ook het stoffelijke overschot en met het intreden van het
ontbindingsproces komen er weer spoormoleculen vrij, die de hond kan
waarnemen. Zijn reactie hierop zal echter heel anders zijn dan normaal en de
geleider zal dan weten, dat zijn lawinehond een dode heeft waargenomen.
In het water
is het voor de hond heel goed mogelijk om een spoor waar te nemen, resp. te
volgen, mits het stilstaand water is en het spoor nog vers. Stromend water
neemt de spoormoleculen mee.
Diep water
bewaart de spoormoleculen wat langer, het waarnemen hiervan is voor de hond
helaas praktisch onmogelijk. Door experimenten is echter aangetoond, dat een
in diep water gedeponeerd voorwerp vrij lang en duidelijk waarneembaar de
spoormoleculen behoudt. Er zijn honden, die na ruim een uur een metalen
voorwerp nog uit 1 2 m diep water halen. Een willekeurige steen, in het water
gegooid met een minimum aan individuele spoorlucht, weet een “duiker”-hond uit
1 a 2 meter diep water direct naar boven te brengen. Al liggen erop de bodem
meer stenen, de hond brengt de juiste toch naar boven.
Op asfaltwegdek
kan de hond bij niet al te warme weersomstandigheden het spoor goed vervolgen
tot circa 3-4 uur. Regen bevordert en warmte vernietigt alles tamelijk snel,
daar het verwarmde asfalt zelf vernietigende en overheersende moleculen
produceert.
Op
betonwegen en stenen is het voor de hond mogelijk het spoor te volgen, mits het
niet al te heet of regenachtig weer met veel stromend water is. Zachte regen
kan de levensduur van de spoormoleculen bevorderen, afhankelijk van het
materiaal van de schoenen, waarmee het spoor gelegd is.
Zand met een
normale temperatuur, houdt het spoor vrij lang vast, eveneens afhankelijk van
het schoenmateriaal waarmee het spoor gelegd is. Niet al te sterke regen
bevordert en grote warmte verkort de duur van het spoor. Los zand niet verwisselen
met een zandweg.
In bebost
terrein kan het spoor zich vrij lang goed houden, namelijk ca. 24 uur. Het
probleem zal zijn, of de hond getraind is om in bebost terrein te speuren. Voor
een beginneling bestaat de moeilijkheid van scherp ruikende stoffen, zoals hars
en compostgrond, afgezien nog van de vele dierlijke sporen, die voor een niet
doorgetrainde hond de voorkeur genieten boven ieder menselijk spoor. Een
voordeel bestaat hieruit, dat in een bebost terrein de spoormoleculen niet
alleen op de grond, maar ook op de takken en op hoog gras achterblijven,
aangebracht door aanraking met handen, kleding en zelfs door de ademhaling van
de spoorlegger. De hond zoekt dan ook afwisselend met de neus in de lucht en
op de grond.
Schoenen:
Afgedragen leren schoenen en oude tennisschoenen laten een maximum aan
individuele spoorlucht achter. Rubberlaarzen echter laten een minimum aan
individueel spoor achter, het is vermengd met rubbergeur, hoe ouder hoe meer en
dat is vaak de oorzaak, dat de hond liever het grondbeschadigingsspoor gaat
volgen, dan het met rubberlaarzen gelegde spoor. Dus vooral tijdens het
aanleren liever geen rubberlaarzen gebruiken.
Met blote
voeten het spoorleggen is inderdaad het meest ideale, maar in de praktijk niet
te realiseren. Dit is ook niet nodig, maar mocht zich in de praktijk zoiets
toch voordoen, dan zal de hond dit blote voeten spoor altijd graag en met meer
gemak vervolgen dan ieder ander spoor.
Aldus J.R.
Toman